Treffen maatregelen op grond van mer-evaluatie achteraf

Annotatie ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:608, M en R 2018/58

Essentie

Toepassing art. 7.42 Wm; bij discrepantie tussen verwachting MER en daadwerkelijke optredende milieugevolgen, kan het nodig zijn maatregelen te treffen. Betuweroute geeft meer trillinghinder aan woning dan in MER beschreven. De weigering door de staatssecretaris om maatregelen te treffen om trillinghinder te verminderen, is niet toereikend gemotiveerd.

Samenvatting

Artikel 7.42, eerste lid, van de Wet milieubeheer luidt: "Indien uit het in artikel 7.39 bedoelde onderzoek of het in artikel 7.41, eerste lid, bedoelde verslag blijkt dat de activiteit in belangrijke mate nadeliger gevolgen voor het milieu heeft dan die welke bij het vaststellen van het plan, dan wel bij het nemen van het besluit werden verwacht, neemt het bevoegd gezag, indien dat naar zijn oordeel nodig is, de hem ter beschikking staande maatregelen ten einde die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken". De woning van [appellante] ligt op korte afstand van de Betuweroute. Bij de evaluatie van het milieueffectrapport voor de Betuweroute is naar voren gekomen dat de gevolgen van de Betuweroute wat het aspect trillingen betreft nadeliger zijn dan in het milieueffectrapport uit 1992 werd verwacht. Uit onderzoek is gebleken dat in de woning van [appellante] de streefwaarden voor nieuwe aanleg die zijn opgenomen in paragraaf 10.5.3.2 van de SBR-richtlijn, deel B: "Hinder voor personen in gebouwen", worden overschreden. Op grond van nader onderzoek naar mogelijkheden om die trillinghinder te beperken dan wel te verminderen heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat voor de woning [locatie] te [woonplaats] geen doelmatige maatregelen toepasbaar zijn. Bij de beoordeling van de doelmatigheid is de staatssecretaris uitgegaan van een richtbedrag van € 47.000,00 per woning. De Afdeling is van oordeel dat de staatssecretaris met de weergave van de wijze waarop hij de mate van trillinghinder vaststelt en de maatregelen die hij in dit verband beziet, het door hem gehanteerde beoordelingskader voor trillinghinder in woningen langs de Betuweroute voldoende heeft gemotiveerd. Ten aanzien van het door de staatssecretaris gehanteerde richtbedrag van € 47.000,00 stelt de Afdeling vast dat dit bedrag in de brief van 29 april 2015 weliswaar wordt genoemd en ter onderbouwing van dit bedrag ook in die brief naar de hiervoor genoemde onderzoeken wordt verwezen, maar daarmee is naar het oordeel van de Afdeling niet inzichtelijk geworden op welke wijze de staatssecretaris heeft bepaald dat maatregelen aan een woning ter beperking van trillinghinder in beginsel niet doelmatig zijn indien zij meer kosten dan een richtbedrag van € 47.000,00. Dit gebrek heeft niet alleen betrekking op maatregelen aan de woning, maar ook op bronmaatregelen, waarvan blijkens het rapport "Trillingsonderzoek Betuweroute, Onderzoek naar mitigerende maatregelen", nr. D79-PBO-KA-1400090", van Movares van 6 mei 2015 in dit geval, onbetwist, alleen de maatregel "floating slab track" in aanmerking komt. Appellante betoogt dat de staatssecretaris onvoldoende heeft onderzocht of er nog andere - combinaties van - maatregelen denkbaar zijn dan die welke in het besluit zijn genoemd en wat deze zouden kosten. De Afdeling stelt vast dat de in de woning van [appellante] optredende trillingwaarden die zijn vermeld in het rapport van Movares van 1 juli 2016 niet worden betwist. De Afdeling stelt voorts met appellante vast dat in het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd waarom andere combinaties van maatregelen dan het onderheien van de woning en het verstijven van de vloer van de 1e verdieping niet doelmatig kunnen worden geacht.

Tussenuitspraak 

ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:608, besluit geen trillinghinder beperkende maatregelen te nemen woning gemeente Duiven, staatssecretaris I&W

Annotatie M.A.A. Soppe

1.         Als een besluit of plan vergezeld is gegaan van een MER, heeft de wetgever het van belang geacht dat via een evaluatie achteraf (ex post evaluatie) wordt nagegaan of de daadwerkelijk optredende milieugevolgen in meer of mindere mate corresponderen met de bevindingen in dat rapport. Het bevoegd gezag kan naar aanleiding van het verplichte evaluatieonderzoek ex art. 7.39 Wm (plan-mer) of het monitoringsverslag ex art. 7.41 Wm (besluit-mer), maatregelen treffen als de mer-plichtige activiteit in belangrijke mate nadeliger gevolgen voor het milieu heeft. Aldus is neergelegd in art. 7.42 lid 1 Wm. Hoewel de ex post evaluatieregeling al decennia bestaat (namelijk net zo lang als de mer-regeling zelf), is er bij mijn weten niet eerder een uitspraak van de Afdeling over de toepassing van dat artikellid geweest. Dat maakt de voorliggende uitspraak meer dan het publiceren waard.

2.         In casu is uit de evaluatie van het MER voor de Betuweroute gebleken dat de trillingshinder van het treinverkeer op deze route meer hinder veroorzaakt dan in het MER uit 1992 is beschreven. Dat is onder meer het geval voor een op korte afstand van de Betuweroute gelegen woning van appellant. De staatssecretaris van het toenmalige ministerie van Infrastructuur en Milieu (thans Infrastructuur en Waterstaat) heeft bij besluit van 1 november 2016 desalniettemin besloten om geen trillinghinder beperkende maatregelen te nemen aan de woning van appellant. Dat besluit is in bezwaar overeind gebleven, waarna appellant beroep heeft ingesteld.

3.         De Afdeling toetst in de r.o. 4 e.v. vrij indringend of de weigering om maatregelen te treffen rechtmatig is. De Afdeling komt daarbij tot de conclusie dat de staatssecretaris voldoende heeft gemotiveerd op welke wijze hij de mate van trillinghinder vaststelt en welke eventuele maatregelen bij trillinghinder kunnen worden getroffen. In het beoordelingskader van de staatssecretaris is evenwel bepaald dat als uitgangspunt heeft te gelden dat trillinghinder beperkende maatregelen het richtbedrag van € 47.000,- per woning niet te boven mogen gaan. Ten aanzien van dat bedrag oordeelt de Afdeling dat de staatssecretaris onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat er geen sprake is van doelmatige maatregelen indien deze meer kosten dan het richtbedrag. Daarnaast is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit onduidelijkheid laat bestaan over de vraag of er combinaties van maatregelen mogelijk zijn waarmee de trillinghinder met een redelijke investering voelbaar kan worden teruggebracht. De staatssecretaris is in het kader van een bestuurlijke lus opgedragen alsnog een toereikende motivering van zijn besluit te geven dan wel een gewijzigd of nieuw besluit te nemen.

4.         Een ex post evaluatieregeling - die vanwege de kennisvergaringsfunctie sowieso toegevoegde waarde heeft -  heeft voor belanghebbenden pas meerwaarde als er zo nodig ook wat met de resultaten van een evaluatie moet worden gedaan. Ik vind de vrij indringende toetsingswijze van de Afdeling dan ook toe te juichen. Die toetsingswijze zou belanghebbende partijen, waaronder begrepen milieugroeperingen, wel eens wakker kunnen schudden. Bij discrepanties tussen prognoses in het MER en de daadwerkelijk optredende milieugevolgen kan het immers zin hebben om het bevoegd gezag te verzoeken om op grondslag van art. 7.42 lid 1 Wm maatregelen te nemen. Bij een niet toereikend gemotiveerde weigering door het bevoegd gezag zal een gang naar de bestuursrechter succes kunnen hebben. Wellicht dat de eerstvolgende uitspraak over art. 7.42 Wm niet lang op zich laat wachten.


Voor een printversie van deze annotatie, klik hier.