Ontbreken expliciet mer-beoordelingsbesluit is herstelbaar en reikwijdte mer-beoordelingsplichtige activiteit (samenhang andere activiteiten)

Ontbreken expliciet mer-beoordelingsbesluit is herstelbaar en reikwijdte mer-beoordelingsplichtige activiteit (samenhang andere activiteiten)

Ontbreken expliciet mer-beoordelingsbesluit is herstelbaar

Afgelopen zomer vernietigde de Afdeling bestuursrechtspraak het bestemmingsplan “De Nieuwe Wielewaal” vanwege het ontbreken van een expliciet (informeel) mer-beoordelingsbesluit. De Afdeling zag geen ruimte voor het passeren van dat gebrek, het in stand laten van rechtsgevolgen of het toepassen van een bestuurlijke lus. Deze uitspraak is geannoteerd door Marcel Soppe en Jade Gundelach

De Wielewaaluitspraak heeft tot veel commotie geleid. De angst bestond dat iedere beroepszaak waarin geen tijdig en expliciet mer-beoordelingsbesluit was genomen, een fatale afloop zou krijgen. Zoals wij in onze annotaties al aangaven, bevatte de Wielewaaluitspraak de nodige aanknopingspunten die maakten dat die angst niet terecht is. Dat wordt ook duidelijk uit de Afdelingsuitspraak van vandaag over het bestemmingsplan “Noortveer” (ABRvS 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4327, r.o. 16.5 e.v.). Dat plan voorziet in stedelijke bebouwing op voormalige glastuinbouwgebieden. Appellanten stelden dat het bestemmingsplan mer-beoordelingsplichtig was vanwege onder meer de categorie D-11.2 van de bijlage bij het Besluit mer. De Afdeling gaat ook uit van een mer-beoordelingsplicht. Zij stelt vast dat er geen expliciet mer-beoordelingsbesluit was genomen ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan. Daarmee bestaat volgens de Afdeling aanleiding om het bestemmingsplan te vernietigen. Bijzonder is overigens dat de Afdeling hier niet overweegt dat er geen expliciet mer-beoordelingsbesluit is genomen voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, zoals dat op grond van artikel 7.19 lid 2 en lid 3 Wm had gemoeten (en zoals al eerder is overwogen in ABRvS 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3131, r.o. 3.5). 

De Afdeling constateert in de Noortveerzaak dat er na de vaststelling van het bestemmingsplan alsnog een mer-beoordelingsbesluit is genomen. Dat besluit is de 13e dag voor de zitting aan de Afdeling overgelegd. Daarin ziet de Afdeling aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestemmingsplan in stand te laten. Daarbij beoordeelt de Afdeling de kwaliteit van het mer-beoordelingsbesluit naar aanleiding van de daartegen door appellanten ingebrachte grieven. De slotconclusie is dat het mer-beoordelingsbesluit voldoet aan de wettelijke vereisten. 

Als het later overgelegde mer-beoordelingsbesluit inhoudelijk niet juist is, dan zal de Afdeling niet overgaan tot de instandlating van de rechtsgevolgen. In dat geval zal een expliciet mer-beoordelingsbesluit moet worden genomen voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan en aldus zal dan de gehele bestemmingsplanprocedure opnieuw moeten worden doorlopen. Dit kan worden afgeleid uit eveneens vandaag verschenen Afdelingsuitspraak 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4352, r.o. 19.1 en 20. 

Reikwijdte mer-beoordelingsplichtige activiteit (samenhang- en voorzienbaarheidsbeginsel)

In de tegen het mer-beoordelingsbesluit gerichte beroepsgronden wordt aangegeven dat dit bestemmingsplan onderdeel uitmaakt van de Duivenvoorcorridor en dat daarbinnen diverse woningbouwprojecten worden voorbereid. Appellanten menen dat de mer-beoordeling zich vanwege het samenhang- en voorzienbaarheidsbeginsel ook tot die andere projecten had moeten uitstrekken. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de woningbouwprojecten, gelet op de afstand daartussen, in planologische zin als losstaande projecten zijn aan te merken. De Afdeling acht dat juist. Zij oordeelt om die reden dat de betreffende woningbouwprojecten in termen van het Besluit mer niet als één activiteit hebben te gelden. Dit is op zich een helder oordeel, dat ook verdedigbaar is omdat in (kolom 2 van) onderdeel D-11.2 van de bijlage bij het Besluit mer wordt gesproken over woningbouw in een aaneengesloten gebied. Desalniettemin past hier een kanttekening. De Afdeling heeft in het verleden immers ook overwogen dat wanneer woningbouwlocaties niet direct op elkaar aansluiten, maar wel een zodanige geografische samenhang vormen dat de milieueffecten van die woningbouwlocaties worden gebundeld en elkaar versterken, er toch sprake is van één woningbouwactiviteit in de zin van het Besluit mer. In ABRvS 9 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP1081, r.o. 2.3.2, deed die situatie zich voor.