CBb doet interessante uitspraak voor SDE-subsidiepraktijk

Voor het realiseren van duurzame energieprojecten kan een aanvraag voor een Subsidie Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) worden ingediend bij de Minister van Economische Zaken en Klimaat (Minister). Bij deze aanvraag moet een haalbaarheidsstudie worden gevoegd, onder meer naar de financiële haalbaarheid. Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder c, aanhef en ten 1o en ten 3o van het Besluit SDE beslist de Minister in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien hij het onaannemelijk acht dat de productie-installatie uitvoerbaar, respectievelijk financieel haalbaar is. In de praktijk wordt soms geworsteld met deze betrekkelijk ‘vage’ afwijzingsgronden. Wanneer heeft een aanvrager de uitvoerbaar- en haalbaarheid voldoende aangetoond? In de gisteren verschenen uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb 3 december 2019, ECLI:NL:CBB:2019:655), stelt het CBb voorop dat de betreffende afwijzingsgronden niet strijdig zijn met het rechtszekerheids- en het transparantiebeginsel. De termen “uitvoerbaar” en “financieel” zijn volgens het CBb voldoende concreet en door de rechter toetsbaar. Wat betreft de inhoudelijke toetsing oordeelt het CBb in r.o. 4.2 expliciet dat de Minister ten onrechte onaannemelijk heeft geacht dat de realisatie van de productie-installatie uitvoerbaar en financieel haalbaar is. Met andere woorden, met de door appellante gegeven onderbouwing is de financiële haalbaarheid van het project voldoende aangetoond. Anders dan de Minister, acht het CBb het toegestaan dat aanloopkosten (die aanzienlijk kunnen zijn) geactiveerd kunnen worden als eigen vermogen. Ook neemt het CBb ten principale afstand van de Minister waar deze zich op het standpunt stelt dat financiers uitsluitend met vaste activa als eigen vermogen genoegen nemen. Kortom enkele belangrijke rechtsoverwegingen voor de subsidiepraktijk.

Onze collega’s Julian Kevelam en Marcel Soppe stonden in deze procedure appellante bij.