Cumulatie projecten leidt tot formele mer-beoordelingsplicht ontgrondingsvergunning

Annotatie ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:149, M en R 2013/127

Essentie

Informele m.e.r.-beoordeling; cumulatie van projecten leidt tot formele m.e.r.-beoordelingsplicht voor ontgrondingsvergunning.

Samenvatting

Deze zaak handelt over een ontgrondingsvergunning voor de zandwinlocatie Uivermeertjes Zuid te Deest. Deze uitbreiding van een bestaande zandwinning ziet op 12 hectare en blijft daarmee onder de drempel van de formele m.e.r.-beoordelingsplicht ingevolge onderdeel D, onder 16.1, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Gelet op de ontgrondingen in de directe omgeving van Uivermeertjes Zuid is er naar het oordeel van de Afdeling sprake van een cumulatie van projecten, zoals bedoeld in bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. Gelet daarop geldt voor de ontgrondingsvergunning een formele m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit is door het bevoegd gezag (college van gedeputeerde staten van Gelderland) miskend. Nu bij de aanvraag om de ontgrondingsvergunning geen afschrift is gevoegd van een beslissing krachtens artikel 7.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer, inhoudende dat geen MER behoeft te worden gemaakt, en er evenmin een MER is overgelegd, had het bevoegd gezag de vergunningaanvraag buiten behandeling moeten laten. Door een inhoudelijke beslissing op de aanvraag te nemen, heeft het bevoegd gezag gehandeld in strijd met artikel 7.28, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient vernietigd te worden. De Afdeling acht het niet niet uitgesloten dat eerst na het alsnog opstellen van een MER een nieuw besluit kan worden genomen, met inachtneming van de conclusies in het MER. Gelet daarop blijft wat overigens is aangevoerd onbesproken. Er wordt door de Afdeling geen toepassing aan de bestuurlijke lus gegeven.

Uitspraak 

ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:149, ontgrondingsvergunning Uivermeertjes Zuid, gemeente Druten

Annotatie M.A.A. Soppe en J. Gundelach

1. Deze zaak handelt over een vergunning op grond van de Ontgrondingenwet voor de uitbreiding van de zandwinlocatie Uivermeertjes te Deest (hierna: Uivermeertjes Zuid). Er was voor de vergunning geen project-MER gemaakt. Evenmin was er een formele m.e.r.-beoordeling verricht. Dat werd ingegeven doordat de uitbreiding betrekking heeft op een oppervlakte van 12 hectare. Daarmee wordt onder de drempel van de m.e.r.-plicht (25 hectare) respectievelijk de formele m.e.r.-beoordelingsplicht (12,5 hectare) gebleven. Het college van gedeputeerde staten van Gelderland heeft conform artikel 2 lid 5 Besluit m.e.r. onderzocht of er sprake is van omstandigheden zoals bedoeld in bijlage III bij de Europese m.e.r.-richtlijn waardoor het opstellen van een MER toch nodig zou zijn. De uitkomst van deze zogeheten informele m.e.r.-beoordeling was dat het opstellen van een MER achterwege kon blijven.

2. De Stichting Goeie Gronde is van mening dat Uivermeertjes Zuid voor wat betreft de toepassing van de m.e.r.-regelgeving niet op zich had mogen worden beschouwd. De Afdeling overweegt dienaangaande dat Uivermeertjes Zuid grenst aan de bestaande zandwinplas Uivermeertjes. In de nabijheid van Uivermeertjes Zuid zijn twee ontgrondingen voorzien: de ontgronding Geertjesgolf in samenhang met de ontgronding Voorhaven op 200 meter afstand van Uivermeertjes Zuid en de ontgronding Deesterkaap ten noorden van de bestaande Uivermeertjes. Gelet op de ontgrondingen in de directe omgeving van Uivermeertjes is er volgens de Afdeling een cumulatie van projecten aan de orde als bedoeld in bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. Om die reden bestaat er volgens de Afdeling een formele m.e.r.-beoordelingsplicht voor de ontgrondingsvergunning. Nu er bij de aanvraag om de ontgrondingsvergunning geen afschrift is gevoegd van een beslissing van het bevoegd gezag krachtens artikel 7.17 lid 1 Wm, inhoudende dat er geen MER behoeft te worden opgesteld, en er evenmin een MER is overgelegd, had het college van gedeputeerde staten de aanvraag niet in behandeling mogen nemen. Door dat wel te doen is in strijd met artikel 7.28 lid 2 Wm gehandeld.

3. De overwegingen van de Afdeling maken duidelijk dat zij Uivermeertjes Zuid niet als één samenhangende activiteit ziet tezamen met de overige genoemde ontgrondingen waardoor om die reden de in onderdeel D, onder 16.1, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. (hierna D-16.1) opgenomen drempel van 12,5 hectare zou worden overschreden en er een m.e.r.-beoordelingsplicht zou bestaan. Het had vanwege het samenhang- en voorzienbaarheidscriterium overigens niet vreemd aangedaan, indien de Afdeling expliciet zou zijn ingegaan op de vraag of Uivermeertjes Zuid, Geertjesgolf en wellicht ook Deesterkaap als één (ontgrondings-)activiteit in de zin van het Besluit m.e.r. hebben te gelden. Zouden bijvoorbeeld Uivermeertjes Zuid en Geertjesgolf als één ontgrondingsactiviteit moeten worden gezien, dan zou de drempel van 12,5 hectare in D-16.1 zijn overschreden en zou er reeds vanwege die constatering een formele m.e.r.-beoordelingsplicht voor de ontgrondingsvergunning gelden.

4. De Afdeling oordeelt in casu dat er in het kader van de informele m.e.r.-beoordeling moet worden geconcludeerd tot een formele m.e.r.-beoordelingsplicht vanwege de “cumulatie met andere projecten”. Dit cumulatiecriterium moet ingevolge artikel 2 lid 5 Besluit m.e.r. juncto onderdeel 1 onder sub b van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn worden betrokken in de informele m.e.r.-beoordeling.

De enkele constatering dat de ontgronding Uivermeertjes Zuid in de directe nabijheid van andere ontgrondingen is gelegen, is voor de Afdeling voldoende om dat oordeel te vellen. Zeker voor beoogde ontgrondingen (van minder dan 12,5 hectare) lijkt daarom in de informele m.e.r.-beoordeling reeds vrij snel tot een formele m.e.r.-beoordeling te moeten worden besloten zodra er in de nabijheid van de beoogde ontgronding andere ontgrondingen zijn. Uit rechtsoverweging 3.3 volgt dat de Afdeling daarbij in ieder geval het oog heeft op (nieuwe) voorziene ontgrondingen. Uit het feit dat daarin ook de bestaande zandwinplaats wordt genoemd, kan ons inziens worden afgeleid dat de Afdeling waarschijnlijk mede het oog heeft gehad op de bestaande ontgronding Uivermeertjes. Daarmee zou in het kader van de informele m.e.r.-beoordeling dus ook betekenis toekomen aan bestaande activiteiten. Die zouden ertoe kunnen leiden dat er een formele m.e.r.-beoordelingsplicht bestaat. Dit is reeds daarom het vermelden waard nu bij het toetsen van een activiteit aan de drempelwaarden in de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. in beginsel geen betekenis toekomt aan legale bestaande activiteiten. Dat is alleen anders indien het voorgenomen besluit de bestaande activiteit in wezenlijke zin kan wijzigen (zie voor een recent voorbeeld ABRvS 26 juni 2013, nr. 201204498/1/A4).

5. De Afdeling acht het niet uitgesloten dat eerst na het alsnog opstellen van een project-MER een nieuwe ontgrondingsvergunning kan worden verleend. Om die reden wordt niet ingegaan op de overige beroepsgronden. De Afdeling ziet kennelijk geen mogelijkheid om de formele m.e.r.-beoordeling te laten verrichten in het kader van een bestuurlijke lus. Het heeft er alle schijn van dat het gebrek om een formele m.e.r.-beoordeling te verrichten in een beroepsprocedure bij de Afdeling zonder meer fataal is. Verwezen zij in dat verband ook naar ABRvS 19 december 2012, nr. 201112785/1/R4, TBR 2013/43, m.nt. Soppe (zie met name punt 3 van die annotatie), JM 2013, 26. Volledigheidshalve wijzen wij erop dat het verzuim om een informele m.e.r.-beoordeling te verrichten door de Afdeling wel als reparabel wordt beschouwd middels toepassing van de bestuurlijke lus. Zie bijvoorbeeld ABRvS 8 februari 2012, nr. 201010565/1, M en R 2012, 71, JM 2012/34.

6. Over het bestemmingsplan waarmee voorzien is in de ontgronding Deesterkaap, is door de Afdeling op 19 december 2012, nr. 201109052/1/R2, AB 2013, 97, JM 2013, 25, een uitspraak gedaan. In die uitspraak wordt in het kader van de m.e.r.-regelgeving eveneens ingegaan op de samenhang tussen  verschillende ontgrondingen in Deest en concludeert de Afdeling dat er een plan-m.e.r.-plicht bestaat. De in dat verband door de Afdeling gebezigde overwegingen zijn van andere aard dan die in de onderhavige uitspraak. Dat valt goed te verklaren doordat in de uitspraak van 19 december 2012 het oude Besluit m.e.r. (zoals dat gold tot 1 april 2011) van toepassing was. Voor een nadere uiteenzetting zij verwezen naar de annotatie van Soppe in AB 2013, 97.


Voor een printversie van deze annotatie, klik hier.