Ontbreken expliciet mer-beoordelingsbesluit is herstelbaar en reikwijdte mer-beoordelingsplichtige activiteit (samenhang andere activiteiten)

Annotatie ABRvS 18 december 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:4327, M en R 2020/6

Essentie

Ontbreken expliciet mer-beoordelingsbesluit is herstelbaar en reikwijdte mer-beoordelingsplichtige activiteit (samenhang andere activiteiten) 

Samenvatting

Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 9 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2298, bevat artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit m.e.r. sinds 7 juli 2017 de verplichting voor het bevoegd gezag om de artikelen 7.16, 7.17, eerste tot en met vierde lid, 7.18, 7.19, eerste en tweede lid en 7.20a van de Wet milieubeheer toe te passen. Deze artikelen zijn opgenomen in paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer. Op grond hiervan is het bevoegd gezag verplicht om een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Deze beslissing wordt een m.e.r.-beoordelingsbesluit genoemd. Een dergelijk m.e.r.-beoordelingsbesluit is sinds 7 juli 2017 dus niet alleen vereist indien sprake is van een besluit als bedoeld in kolom 4 van onderdeel D van de bijlage bij het besluit m.e.r. en de drempelwaarden voor de desbetreffende activiteit worden overschreden, maar ook indien de drempelwaarden niet worden overschreden. Het vereiste in paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer dat het bevoegd gezag een beslissing neemt omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt, betekent dat hierover een besluit van het bevoegd gezag is vereist, een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Vaststaat dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan geen m.e.r.-beoordelingsbesluit was genomen, zodat aanleiding bestaat het plan te vernietigen vanwege strijd met de artikelen 7.16, 7.17, eerste tot en met vierde lid, 7.18, 7.19, eerste en tweede lid en 7.20a van de Wet milieubeheer. Er  is alsnog een m.e.r.-beoordelingsbesluit van 26 september 2019 overgelegd bij brief van 27 september 2019. Gelet hierop zal de Afdeling nu artikel 8:41a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een geschil zo mogelijk definitief beslecht, beoordelen of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. In het m.e.r.-beoordelingsbesluit wordt geconcludeerd dat er gelet op de kenmerken van de projecten, de plaats van de projecten en de kenmerken van de potentiële effecten geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. Daarbij is van belang geacht dat het woningbouwproject "Noortveer" relatief kleinschalig is. In de m.e.r.-beoordeling staat dat het plan leidt tot een kwaliteitsimpuls door herstel van de openheid van het landschap, tot versterking van de cultuurhistorische kwaliteit en versterking van natuurwaarden. Er is dan ook geen aanleiding gezien een milieueffectrapportage op te stellen. De Afdeling ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het plan in stand te laten.

Uitspraak

ABRvS 18 december 2019,  ECLI:NL:RVS:2019:4327, bestemmingsplan "Noortveer", gemeente Voorschoten

Annotatie M.A.A. Soppe

1.         Afgelopen zomer vernietigde de Afdeling het bestemmingsplan “De Nieuwe Wielewaal” vanwege het ontbreken van een expliciet (informeel) mer-beoordelingsbesluit. De Afdeling zag geen ruimte voor het passeren van dat gebrek, het in stand laten van rechtsgevolgen of het toepassen van een bestuurlijke lus (ABRvS 9 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2298, M en R 2019/106, m.nt. Gundelach; TBR 2019/113, m.nt. Soppe). De Wielewaaluitspraak heeft tot veel commotie geleid. In de praktijk bestond de angst dat iedere beroepszaak waarin geen tijdig en expliciet mer-beoordelingsbesluit was genomen, een fatale afloop zou krijgen. De Wielewaaluitspraak bevatte echter de nodige aanknopingspunten die maakten dat die angst niet terecht was. Dat wordt ook duidelijk met de onderhavige uitspraak. Het aan de orde zijnde bestemmingsplan "Noortveer" voorziet in stedelijke bebouwing op voormalige glastuinbouwgebieden. Appellanten stellen dat het bestemmingsplan mer-beoordelingsplichtig is vanwege onder meer categorie D-11.2 van de bijlage bij het Besluit mer. De Afdeling gaat ook uit van een mer-beoordelingsplicht. Zij stelt vast dat er geen expliciet mer-beoordelingsbesluit was genomen ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan. Daarmee bestaat volgens de Afdeling aanleiding om het bestemmingsplan te vernietigen. Bijzonder is overigens dat de Afdeling hier niet overweegt dat er geen expliciet mer-beoordelingsbesluit is genomen voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, zoals dat op grond van artikel 7.19 lid 2 en lid 3 Wm had gemoeten (en zoals al eerder is overwogen in ABRvS 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3131, r.o. 3.5).

2.         De Afdeling constateert in casu dat er na de vaststelling van het bestemmingsplan alsnog een mer-beoordelingsbesluit is genomen. Dat besluit is de 13e dag voor de zitting aan de Afdeling overgelegd. Daarin ziet de Afdeling aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestemmingsplan in stand te laten. In dat kader is wel van belang dat de Afdeling het mer-beoordelingsbesluit inhoudelijk juist acht. Bij een ander oordeel zouden de rechtsgevolgen niet in stand zijn gelaten. Bij het opnieuw planologisch inkaderen van het voorliggende initiatief, zou dan een expliciet mer-beoordelingsbesluit moet worden genomen vóór de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan en zou zal de gehele bestemmingsplanprocedure opnieuw moeten worden doorlopen. Dit laatste kan ook worden afgeleid uit ABRvS 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4352 (r.o. 19.1 en 20).

3.         In de tegen het mer-beoordelingsbesluit gerichte beroepsgronden wordt aangegeven dat dit bestemmingsplan onderdeel uitmaakt van de Duivenvoorcorridor en dat daarbinnen diverse woningbouwprojecten worden voorbereid. Appellanten menen dat de mer-beoordeling zich vanwege het samenhang- en voorzienbaarheidsbeginsel ook tot die andere projecten had moeten uitstrekken. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de woningbouwprojecten, gelet op de afstand daartussen, in planologische zin als losstaande projecten zijn aan te merken. De Afdeling acht dat juist. Zij oordeelt om die reden dat de betreffende woningbouwprojecten in termen van het Besluit mer niet als één activiteit hebben te gelden. Dit is op zich een helder oordeel, dat ook verdedigbaar is omdat in (kolom 2 van) onderdeel D-11.2 van de bijlage bij het Besluit mer wordt gesproken over woningbouw in een aaneengesloten gebied. Desalniettemin past hier een kanttekening. De Afdeling heeft in het verleden immers ook overwogen dat wanneer woningbouwlocaties niet direct op elkaar aansluiten, maar wel een zodanige geografische samenhang vormen dat de milieueffecten van die woningbouwlocaties worden gebundeld en elkaar versterken, er toch sprake is van één woningbouwactiviteit in de zin van het Besluit mer. In ABRvS 9 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP1081, r.o. 2.3.2, deed die situatie zich voor.


Voor een printversie van deze annotatie, klik hier.