Geen MER nodig na mer-beoordeling als eerder vergunde milieugevolgen niet toenemen

Annotatie ABRvS 13 december 2017,  ECLI:NL:RVS:2017:3448, M en R 2018/28

Essentie

In het kader van een mer-beoordeling mag alleen een MER worden geëist indien het maken daarvan noodzakelijk is vanwege belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarvan is nimmer sprake als de aangevraagde wijziging ertoe leidt dat de milieugevolgen ten opzichte van de eerder vergunde inrichting niet toenemen.

Samenvatting

Voor het oordeel dat het college een milieueffectrapport had moeten eisen - en zich derhalve de in artikel 5.13b, eerste lid, van het Bor opgenomen weigeringsgrond voordeed – bestaat slechts aanleiding indien het maken van een milieueffectrapport noodzakelijk moet worden geacht vanwege belangrijke nadelige gevolgen die de aangevraagde wijziging van de varkenshouderij voor het milieu kan hebben. De vraag of de varkenshouderij zal kunnen voldoen aan de daarvoor geldende milieuregels kan niet worden gelijkgesteld met de vraag of zich belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen voordoen, die nopen tot het maken van een milieueffectrapport. Het is eerder bedoelde wijziging ten aanzien waarvan het college dient te beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben die nopen tot het maken van een milieueffectrapport. Daarbij dienen de milieugevolgen vanwege de inrichting in de reeds vergunde situatie als uitgangspunt te worden genomen. Indien de wijziging er ten opzichte van de reeds vergunde situatie toe leidt dat de milieugevolgen vanwege de inrichting afnemen, althans niet toenemen, bestaat geen ruimte voor het oordeel dat de wijziging belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

Uitspraak 

ABRvS 13 december 2017,  ECLI:NL:RVS:2017:3448, omgevingsvergunning voor het veranderen van een varkenshouderij, gemeente Hof van Twente

Annotatie M.A.A. Soppe

Het toetsingskader van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) wordt gevormd door art. 2.17 Wabo juncto art. 5.13b Bor. Daaruit volgt dat de OBM moet worden geweigerd indien het bevoegd gezag op grond van art. 7.17 lid 1 Wm heeft besloten dat een MER moet worden gemaakt. Dat is aan de orde indien de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben gelet op de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn (kenmerken activiteit en samenhang andere activiteiten, de plaats en de kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu). De Afdeling maakt in deze uitspraak duidelijk dat in de situatie dat de OBM betrekking heeft op een verandering van een inrichting, de vergunde situatie als referentie heeft te gelden. Als de milieugevolgen ten opzichte van de voorheen vergunde situatie niet toenemen, is er nimmer sprake van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Daarbij is niet van belang of die eerder vergunde situatie in de praktijk ten volle is benut en dat er sprake is van een bijvoorbeeld qua geur of luchtkwaliteit overbelaste omgeving. Of de in casu aangevraagde varkenshouderij al dan niet kan voldoen aan de daarvoor geldende milieuregels, acht de Afdeling evenmin relevant. Datzelfde overwoog de Afdeling eerder in ABRS 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:260, JM 2017/36 (r.o. 5.1). Uit die uitspraak volgt voorts dat wanneer voor het bevoegd gezag duidelijk is dat een MER niets toevoegt omdat hij de aangevraagde activiteit gelet op het normatieve kader uiteindelijk toch moet vergunnen, geen legitiem argument is om geen inhoudelijke mer-beoordeling te verlangen. Anderzijds kan maatschappelijke onrust vanwege een voorgenomen mer-beoordelingsplichtige activiteit geen reden zijn om tot een MER te concluderen (zie ABRS 16 november 2016,  ECLI:NL:RVS:2016:3057, JM 2017/1 (r.o. 7.6). In een mer-beoordeling is enkel van belang of er in objectieve zin belangrijke nadelige milieugevolgen van de voorgenomen mer-beoordelingsplichtige activiteit (ten opzichte van de referentie) zijn te verwachten.


Voor een printversie van deze annotatie, klik hier.